Wat er in je kopje zit: polyfenolen, catechinen en L-theanine
Je zet elke dag een kopje thee. Misschien meerdere. Maar wat zit er eigenlijk in dat heldere of groene vocht dat je zo goed kent? Niet qua smaak, dat weet je. Maar qua chemie?
Polyfenolen: de reden dat thee al eeuwenlang wordt gewaardeerd
Polyfenolen zijn plantaardige verbindingen die de theeplant (Camellia sinensis) aanmaakt als bescherming tegen insecten, UV-straling en schimmels. Een soort natuurlijk afweersysteem dus. En toevallig zijn het precies die verbindingen die thee zo interessant maken voor ons.
Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat catechinen en andere polyfenolen 30 tot 42% van het drooggewicht van groene thee uitmaken. Dit is één van de hoogste concentraties in het plantenrijk. Ze zijn verantwoordelijk voor een groot deel van de smaak (de frisheid, de lichte bitterheid, het samentrekkende gevoel op je tong) én voor de eigenschappen die thee al eeuwen een bijzondere reputatie geven.
Polyfenolen zijn overigens geen unicum van thee. Je vindt ze ook in rode wijn, donkere chocolade en olijfolie. Maar in thee zitten ze in een unieke combinatie en concentratie, en worden ze vergezeld door verbindingen die je nergens anders vindt.
Catechinen: de meest actieve polyfenolen in thee
Binnen de grote familie polyfenolen zijn de catechinen de meest besproken groep. Ze zijn verantwoordelijk voor het leeuwendeel van de bijzondere eigenschappen van thee, en ze zitten vooral in groene thee.
De bekendste catechine is EGCG (epigallocatechine-3-gallaat). EGCG is een van de meest bestudeerde plantaardige verbindingen ter wereld en staat bekend om zijn antioxidatieve, ontstekingsremmende, hartspierbeschermende en antitumorale eigenschappen. EGCG maakt bovendien circa 50% uit van de totale polyfenolinhoud in groene thee.
Groene thee bevat de meeste catechinen, simpelweg omdat de bladeren na het plukken direct worden verhit waardoor oxidatie wordt gestopt. Bij zwarte thee worden de bladeren juist wél geoxideerd: de catechinen worden dan omgezet in andere verbindingen (theaflavinen en thearubiginen) die zorgen voor de kenmerkende donkere kleur en volle smaak van zwarte thee. Witte thee, gemaakt van jonge bladtoppen die nauwelijks bewerking ondergaan, bevat ook relatief veel catechinen en heeft bovendien een extreem delicate smaak.
L-theanine: het stille geheim van thee
Dan is er nog een verbinding die minder bekend is, maar minstens zo bijzonder: L-theanine. Dit is een aminozuur dat vrijwel uitsluitend voorkomt in de theeplant (en in enkele paddenstoelsoorten). Je vindt het nergens anders in de natuur.
L-theanine passeert de bloed-hersenbarrière en heeft een direct effect op de hersengolven. Het stimuleert de productie van alfagolven. Dit zijn de hersengolven die geassocieerd worden met een staat van rustige alertheid. Niet slaperig, niet opgejaagd. Gewoon helder en ontspannen. Meerdere studies bevestigen dit effect, ook bij de hoeveelheden L-theanine die je in een gewone kop thee binnenkrijgt.
Dat klinkt misschien vaag, maar het is goed gedocumenteerd. En het verklaart iets wat theedrinkers al lang weten: de energie van thee voelt anders dan die van koffie. Rustiger, meer gefocust, minder nerveus. Dat komt doordat L-theanine de piekende werking van cafeïne verzacht en moduleert. Ze werken samen. En dit samenspel is uniek voor thee.
Over het algemeen kunnen we stellen dat matcha en gyokuro, maar ook kabusecha, de hoogste concentraties L-theanine bevatten, omdat deze theesoorten worden geteeld in de schaduw. Door het theeplantje minder zonlicht te geven, maakt het meer L-theanine aan als reactie op de stress. Een mooie paradox: minder licht, meer rust in je kopje.
Biologisch maakt een verschil
Dit is iets wat we bij BioThee niet zomaar roepen. Er zijn aanwijzingen dat biologisch geteelde thee hogere concentraties polyfenolen kan bevatten dan thee die met pesticiden wordt behandeld. De theeplant maakt die verbindingen immers aan als afweermechanisme. Als de plant kunstmatig wordt beschermd, heeft ze minder reden om dat zelf te doen. Biologische teelt geeft de plant zijn natuurlijke prikkels terug.
Bovendien wil je niet dat de gezonde verbindingen in je thee worden vergezeld door residuen van bestrijdingsmiddelen. Dat spreekt voor zich.


De bladeren worden vervolgens strak opgerold tot kleine parels. Tijdens het zetten van de thee ontvouwen deze zich langzaam tot volledige bladeren. Dit proces is niet alleen mooi om te zien, maar draagt ook bij aan een rijke en gelaagde smaakontwikkeling.

In de vroege 20e eeuw ontdekte de Russische immigrant Benjamin Ginsberg rond 1904 de commerciële waarde van dit plantje. Hij begon het te verwerken en te verkopen als alternatief voor dure geïmporteerde thee, die voor de lokale bevolking onbetaalbaar was. Rond 1930 experimenteerde botanicus en chirurg Dr. Pieter Le Fras Nortier met zaadontkieming en teeltmethoden, wat leidde tot de eerste rooibosplantages. Na de Tweede Wereldoorlog explodeerde de populariteit, mede door thee-tekorten, en ontstonden coöperaties zoals de Clanwilliam Teekoöperasie in 1948. De rode (en meest bekende) variant, verkregen door oxidatie van de geplukte blaadjes in de zon, heeft een kenmerkende honingzoete, nootachtige smaak en roodbruine kleur.
In 1835 stichtten de Britten theeplantages in Assam. Thee was toen een product dat voor de export verbouwd werd, veel te duur dus voor de lokale bevolking. Zij mochten de restjes gebruiken, en omdat die bitterder waren mengden zij het met hun masala chai en werd melk en zoetstof toegevoegd om toch van een lekker drankje te kunnen genieten.
Thee Gongfu-stijl


